HERPES
... meerdere artikelen...

 

Herpes infectie bij honden: een probleem of een mythe?

Door Dierenkliniek 'Causus', België

De hondenfokkerij kent de laatste jaren een exponentiële vooruitgang. De verbetering in de begeleiding van de voorplanting, de toename in internationale uitwisselingen en de populariteit van de hond als gezelschapsdier zijn enkele redenen die deze evolutie verklaren. 
Jammer genoeg zijn aan iedere vooruitgang ook nadelen verbonden die zich in dit geval niet alleen uiten in een toename aan erfelijke en congenitale afwijkingen, maar ook in een toename aan vruchtbaarheids-problemen in sommige rassen of fokkerijen.

Het canine herpesvirus (CHV1) behoort tot die virussen die de laatste jaren meer en meer in de fertiliteitproblematiek naar voren komen. Hoewel reeds enige jaren bekend is dat het CHV1 puppysterfte bij de geboorte of gedurende de eerste levensweken veroorzaakt, wordt het virus nu ook meer en meer verantwoordelijk geacht voor onvruchtbaarheid (teven die leeg blijven hoewel verder alles normaal is) en een reductie van de het aantal pups bij de geboorte en de puppygrootte. 
Het doel van deze korte bespreking is dit virus beter aan U voor te stellen en de aandacht te vestigen op zijn mogelijke invloed op de vruchtbaarheid in de hondenfokkerij.

Eigenschappen en epidemiologie

Het CHV1 is een specifiek virus dat enkel hondachtigen aantast. Hoewel alle honden die in de voortplanting worden ingezet gevoelig zijn, ziet men dat problemen vaker optreden in fokkerijen en op andere plaatsen waar honden in groep samenleven. Volgens studies die de laatste jaren in verschillende Europese landen werden uitgevoerd ziet men dat tot 43% van de hondenfokkerijen seropositief zijn. Dit betekent dat het virus op een of ander moment op de fokkerij aanwezig is geweest en dat de dieren antistoffen tegen bet virus hebben opgebouwd. In de fokkerijen met vruchtbaarheidproblemen zou zelfs tot 100% van de dieren seropositief blijken te zijn! Hoewel op basis van dit beperkt onderzoek blijkt dat het virus sterk verspreid zou zijn wordt het voorkomen ervan in de hondenfokkerijen waarschijnlijk sterk onderschat.

Het CHV1 zou bij de hondenfokkers een bijzondere klinische betekenis moeten hebben. Het virus is er namelijk van verdacht het drachtigheidspercentage in belangrijke mate te kunnen drukken en ernstige verliezen te kunnen veroorzaken onder de pasgeboren pups. Daar waar de directe pathogeniciteit van het virus eerder beperkt blijkt, wordt deze in combinatie met andere factoren (zoals leeftijd, ziekte of bloedverwantschap) in belangrijke mate versterkt met vaak voortplantingsproblemen tot gevolg.

Het herpesvirus beschikt aan zijn buitenzijde over een «enveloppe». Deze enveloppe maakt het virus fragiel in de buitenwereld en gevoelig voor de meeste ontsmettingsmiddelen. Vetoplosbare middelen (ether, chloroform, enz...) en desinfectantia zoals bleekwater, quaternaire ammoniumverbindingen, formol, chloramines, fenolderivaten, enz. inactiveren aldus het virus.
Gezien de snelle inactivatie van het virus in de buitenwereld gebeurt transmissie vnl. door direct contact van de dieren of via placentaire weg. Oronasale en genitale secreten, foeti en foetale membranen en de meeste excreta van pups kunnen als virusbron fungeren. De dekking, de doortocht van de pup door de bekkenholte van een besmette teef en contact van virusexcreterende honden met pasgeboren pups of drachtige teven zijn risicovol.
Eenmaal een dier geïnfecteerd is, kan het levenslang «latent» drager blijven. Hierbij is de hond asymptomatisch, maar bij stress (o.a. dracht, exposities, wedstrijden,...) of immunosuppressie (o.a. loopsheid, andere virale aandoeningen, immunosuppressieve medicatie,...) kan een heropflakkering met excretie optreden.

Symptomatologie:

Het CHV1 kan in belangrijke mate de vruchtbaarheid en fecundatie van de aangetaste dieren beïnvloeden. Het virus kan abortus, vroeggeboorte en neonatale sterfte bij pups tot een leeftijd van 3 weken veroorzaken. De optimale virusvermeerdering bij 35-36°C verklaart het sterk tropisme voor foeti, neonati en de genitale, oculaire en bovenste ademhalingsslijmvliezen bij jonge en volwassen honden. De gebrekkige thermoregulatie en inadequate immuunrespons van pasgeboren pups werken een snelle virusvermeerdering en sterfte in de hand.  

Een infectie kan bij neonati bijna symptoomloos sterfte veroorzaken, of de dood kan voorafgegaan zijn door anorexie, depressie, klagen, buikpijn, braken, slappe geelgrijze uitwerpselen, subcutaan oedeem, fietsbewegingen of andere symptomen. Bij pups die de infectie overleven kunnen neurologische stoornissen levenslang persisteren. Zij zijn het gevolg van een aantasting van de grote hersenen (encefalitis) die vergelijkbaar is met deze die men bij de mens observeert als een baby bij de geboorte wordt besmet.

Bij de volwassen hond manifesteert het CHV1 zich op een veel verraderlijker manier onder de vorm van steriliteit en een reductie van de fecundatie. Het virus zou bij een besmetting vroeg tijdens de dracht interfereren met de innesteling van het embryo in de baarmoeder en zo embryonale resorptie met steriliteit van de teef teweegbrengen.

Infectie in de pen- of postimplantatoire periode kan vasculaire lesies ter hoogte van de placenta en loslating van het placentaal weefsel veroorzaken, met abortus of onderontwikkeling van de foeten tot gevolg. Besmetting geeft hier dus een indruk van een ondermijnde fertiliteit, infecundatie of ontwikkelingsproblemen tijdens de dracht.

Bij een primo-infectie, of bij reactivatie van het virus, kunnen op de vaginale of preputiale slijmvliezen papulo-vesiculeuze of papulo-noduleuze lesies verschijnen. Deze lesies zijn over het algemeen discreet of onzichtbaar en regresseren binnen enkele dagen tot weken.

Bij jonge immunosuppressieve honden kan het CHV1 als secundair agens meespelen in conjunctivitis, faryngitis of rhinitis (kennelhoest). Het virus is ook geassocieerd met keratitis en cataract.

Diagnostiek:

Naast het vermoeden op basis van de anamnese en de klinische symptomen kan een infectie met het CHV1 geconfirmeerd worden met volgende technieken:


Een gestorven pup aan herpes, erge puntbloedingen op de nieren en lever

Preventie en behandeling:

Om het risico op infectie in de hondenfokkerij te minimaliseren zijn een quarantaine van nieuwe dieren, teven einde dracht (3 weken voor partus) en moeder met pups tot een leeftijd van 3 weken, aan te raden. Het beperken van stress (vooral rond de dekking en de partus), het verrichten van een algemeen klinisch en gynaecologisch of andrologisch onderzoek en het testen van reuen en teven op CHV1 voor de dekking, zijn geïndiceerde voorzorgsmaatregelen.

Vandaag de dag bestaat de strategie bij CHV1-problemen uit het scheiden van de pups van hun moeder, het verhogen van de omgevingstemperatuur (o.a. met een infraroodlamp) met opvolging van de temperatuur van de pups (minimum 37 graden), het geven van een ondersteunende therapie en eventueel het intraperitoniaal injecteren van hyperimmuun serum. Door de snelle progressie van de aandoening bij de neonatus is het effect van deze behandeling echter beperkt.

Vermits een geïnfecteerde hond levenslang drager blijft is het fokken met deze dieren risicovol (mogelijke overdracht van het virus tijdens de dekking; normale worpen kunnen alterneren met fertiliteitproblemen). Indien een teef echter over hoge antistoffentiters (zoals na vaccinatie) beschikt bij de partus zal ze antistoffen doorgeven via het colostrum en op die manier haar pups beschermen tegen ziekte. Tot op heden is geen enkel vaccin tegen het CHV1 gecommercialiseerd, maar de distributie van een nieuw vaccin is te verwachten in de eerstkomende jaren.

Vaccinatie

De beste bescherming tegen de acute vorm van CHV1 bij pasgeboren puppies is vaccinatie van de teef met het nieuwe vaccin Eurican van Merial. Er zijn twee injecties noodzakelijk: de eerste tijdens de loopsheid ofwel 7-10 dagen na de dekking (of kunstmatige inseminatie) en de tweede injectie dient 7 tot 14 dagen voor de verwachte werpdatum gegeven te worden.
De vaccinatie wordt goed verdragen en is veilig voor de teef en de puppies.
De puppies zijn door de opname van het colostrum met de antilichamen van de moeder beschermd tegen de acute vorm van CHV1 infectie.

Conclusie:

Het canine herpesvirus is een virus dat, hoewel wereldwijd verspreid, naar voorkomen en gevolgen bij infectie nog steeds wordt onderschat. Voornamelijk in de hondenfokkerijen blijkt dit virus de meeste schade te berokkenen door zijn potentieel negatieve invloeden op de vruchtbaarheid.
Zijn rol in het veroorzaken van abortus en neonatale sterfte zijn goed gekend, maar zijn impact op het ondermijnen van de vruchtbaarheid en de fecundatie blijven onderschat.
Om de rol van het canine herpesvirus in de voortplanting doeltreffend te benaderen is een goede samenwerking tussen fokkers, dierenartsen en laboratoria nodig. Hoewel de middelen ter bestrijding van dit virus vandaag de dag beperkt blijven, zijn het aantonen van het virus in de fokkerijen en het nemen van de nodige voorzorgsmaatregelen reeds een eerste stap in de goede richting.

Vaccinatie is zeker een stap in de goede richting.

 


Herpes:

Arjan Brouwer, Vertrouwensarts VDH

Het honden Herpesvirus werd voor het eerst aangetoond in 1964 bij gestorven pups. Tot nu is slechts één serotype bekend, namelijk type 1, afgekort CHV1. Het is sterk verwant aan de herpesvirussen die bij katten, paarden en varkens respectievelijk niesziekte, rhinopneumonie en Aujeszky veroorzaken. Veel studies zijn gedaan naar het voorkomen van het virus. In België en Nederland vond men percentages van 39% bij particulier gehouden honden, tot 50% bij in kennels gehouden honden.

Overdracht

Het virus overleeft slecht buiten de gastheer en wordt snel gedood door zonlicht, warmte en droogte. Overdracht geschiedt voornamelijk door direct contact. Tijdens de passage door het geboortekanaal en net na de geboorte, kunnen de pups via mond of neus geïnfecteerd worden. Neus- en vaginale uitvloeiing van de teef zijn de besmettingsbronnen. De besmette pups kunnen hun nestgenoten weer besmetten. Of het virus ook bij de dekking kan worden overgedragen, is nog niet bewezen. Het virus kan zich langdurig in de zenuwbanen van de hond verstoppen. Het is nog steeds niet precies bekend hoe het weer gereactiveerd wordt.

Temperatuur

Het ziekteverloop van een CHV1 infectie is afhankelijk van de leeftijd, de lichaamstemperatuur en de weerstand, ofwel immuunstatus van de pups. Vooral pasgeboren pups tot de leeftijd van acht dagen, sterven meestal na infectie. Dit heeft vooral te maken met het feit dat zulke jonge pups niet in staat zijn koorts te ontwikkelen. Het herpesvirus vermeerdert zich optimaal bij een temperatuur van 35º tot 36º C. Dit is juist ongeveer de lichaamstemperatuur van hele jonge pups. Daarnaast hebben ze meestal ook nauwelijks immuniteit tegen CHV1. De diagnose wordt meestal bij sectie gesteld. Na infectie verspreidt het virus zich naar alle organen en veroorzaakt daar zeer veel kleine bloedingen en weefselbeschadiging. Pups die de infectie overleven hebben vaak blijvende schade aan het zenuwstelsel.

Klinische verschijnselen

De incubatietijd, de tijd tussen besmetting en het optreden van ziekteverschijnselen, is ongeveer 5 dagen. De teef is vaak goed gezond en geeft normaal melk. Besmette pups sterven meestal snel, soms zonder symptomen, maar vaak zie je de volgende verschijnselen:

• niet drinken en lusteloos

• schreeuwen van de pijn

• speekselen, braken, heldere neusuitvloeiing

• afwijkende ontlasting

• oedeem onder de huid

• benauwdheid, en later zelfs nekkramp

• sterfte na 24 tot 48 uur

Veel onderzoekers noemen de CHV1 infectie is als hoofdoorzaak van het zogenaamde "Fading Puppy Syndrome". Het belang van CHV1 infectie bij vruchtbaarheidsproblemen is nog steeds niet geheel duidelijk. Experimenteel opgewekte infecties, door het inspuiten van virus direct in het bloed, kunnen abortus, mummificatie en doodgeboorte van de vruchten veroorzaken. In natuurlijke situaties spelen echter veel factoren mede een rol. Het bepalen van antistoffen in het bloed geeft geen zekerheid over de oorzaken van problemen. Zo is gebleken dat het optreden van een kennelhoestinfectie een CHV1 infectie kan activeren en de antistofconcentratie kan verhogen. De leeftijd van de teef speelt een rol, evenals de wijze van houden van de honden en de hygiëne. Vooralsnog is de relatie tussen het CHV1 virus en vruchtbaarheidsstoornissen bij honden niet goed bewezen.

Advies

Bij het optreden van verdachte puppysterfte is het belangrijk de omgevingstemperatuur te verhogen. Voor gezonde pups wordt onder normale omstandigheden een omgevingstemperatuur van 30º tot 32º C gedurende de eerste 4 dagen aanbevolen, dalend tot 28º C op de 7e dag. Bij het optreden van problemen kan het verhogen van de omgevingstemperatuur tot 39º C de virusvermeerdering remmen en de sterfte verminderen doordat de lichaamstemperatuur van de pups hoger wordt. Ook injecties van serum met antistoffen tegen CHV1 blijken goed te kunnen werken. Het verkrijgen van dit serum is niet eenvoudig en het toedienen aan de pups niet zonder gevaar. Pups met symptomen moeten direct gescheiden worden van gezonde pups.

Vaccinatie

Als er vruchtbaarheidsproblemen zijn, moet vooral worden nagegaan hoe de gehele situatie is rond de teef. Als de teef in een kennel gehouden wordt , en er is veel contact met andere honden, dan is vaccineren van belang. Een goede hygiëne, enten tegen kennelhoest en goed dekmanagement zijn ook zeer belangrijk. Het vaccineren tegen herpesinfecties heeft bij ons centrum voorlopig het voordeel van de twijfel. Bij de door ons gevaccineerde dieren hebben wij daarnaast nog geen bijwerkingen gezien. Het enige vaccin dat op dit moment op de markt is, is Eurican Herpes Vaccin van Merial. De eerste enting dient tijdens de loopsheid, zo’n 7 tot 10 dagen na de dekdatum, gegeven te worden. De tweede injectie moet twee weken voor de verwachte werpdatum gegeven worden. Hervaccinatie moet bij elke dracht volgens hetzelfde schema gebeuren. Bij een aantal fokkers in onze praktijk hebben wij goede resultaten behaald. Of het de vaccinatie was, of de begeleiding, blijft voorlopig onzeker.


Herpesvirus van de hond

Herpesvirus van de hond, Herpesvirose, is een aandoening die frequent voor problemen zorgt zowel bij particulieren als in hondenkwekerijen en kennels. Het virus wordt vrij gemakkelijk respiratoir overgedragen. Vele honden zijn dan ook asymptomatisch besmet en zijn voor de rest van hun leven drager van het virus, dat latent aanwezig blijft in het lichaam. Het virus kan ook op venerische weg worden overgebracht. Besmette dieren vertonen bijgevolg episodes van virale excreties en dit zowel nasaal als genitaal.

Het canine herpesvirus wordt voornamelijk geassocieerd met de hemmoragische ziekte bij pups. Deze systemische hemmoragische en snel dodelijke aandoening treft honden jonger dan 4 weken oud. De pups besmetten zich tijdens de geboorte door contact met de moeder of door contact met nestgenoten die het virus uitscheiden. De geïnfecteerde pup wordt anorectisch, apathisch en vertoont hypothermie, opvallende slapte en zenuwsymptomen. Mortaliteit treedt op binnen de 10 á 14 dagen na de geboorte. Plots optredende dood werd ook reeds vastgesteld. In het algemeen wordt gans het nest aangetast zonder opvallende klinische tekens bij de moeder. Foetale resorptie, mummificatie, abortus, neonatale sterfte en geboorte van normale pups, die drager zijn van het virus, kunnen ook voorkomen. De aanwezigheid van het virus ter hoogte van het neusslijmvlies wordt in verband gebracht met bepaalde vormen van kennelhoest. Het subunit vaccin dat op de markt is wordt dan ook gebruikt om via actieve immunisatie van drachtige teven te zorgen voor een passieve bescherming van de pups. Omdat antistoffen na vaccinatie of na natuurlijke infectie snel verdwijnen wordt een hervaccinatie naar het einde van elke dracht aanbevolen.

EURICAN HERPES 205 (Merial)

Hondenherpesvirus Ag (stam F205): 0,3 tot 1,75 microg/dosis (1 ml)

poeder en diluens voor vaccin voor injectie sc

Posologie:

Ca (drachtige teef): 2 x 1 dosis (1 ml) met 6 weken interval (eerste dosis 7 - 10 dagen na dekking)

fles 1 dosis poeder + 1 ml diluens